Rubberlaarzen
(naar aanleiding van het gelijknamige verhaal van Karl Ove Knausgard, Herfst, blz.121)
Bij ons thuis in de gang stonden altijd veel laarzen.
Paardrijlaarzen en groene rubberen laarzen in verschillende maten voor vier
kinderen en de zwarte rubberen laarzen van mijn vader. Alleen mijn moeder had
geen laarzen. De groene laarzen droegen wij in de tuin, bij bos- en
strandwandelingen. Ik droeg ze ook als ik André, mijn beste vriend, in het park
hutten ging bouwen of patrouilleren met pijl en boog. Ze gingen ook mee op
vakantie naar Cadzand voor regenachtige dagen. Om door de duinen en over het strand
te lopen als het te koud was voor blote voeten. Zand in je laarzen. Leegkiepen.
Het droge zand dat zo’n mooi piramide-achtig bergje vormde zoals in een
zandloper.
In mijn kindertijd betekende laarzen: buitenspelen,
vrijheid en opwinding. Met laarzen aan kon je waar het nat of modderig was,
letterlijk een stap verder gaan. Zij gaven mij ook een krijgshaftig gevoel,
vooral de paardrijlaarzen waarbij ik altijd een statie-uniform verzon en mijn
zweep in een sabel veranderde. Maar ook de rubberlaarzen met hun groene
militaire kleur. Daar droegen we militaire petjes van het Britse leger bij,
die, zo had de winkelier ons wijs gemaakt, nog uit de Tweede Wereldoorlog
kwamen. Niet alleen André en ik hadden zo’n petje, maar bijna alle jongens op
school. In de pauze liepen er een paar pelotons strak in het gelid over het
schoolplein te marcheren. Dat moet een vreemd gezicht zijn geweest zo
halverwege de jaren zeventig waarin Love,
peace and happiness nog overal in de lucht hing.
De eerste tien jaar van mijn leven stonden grotendeels in
het teken van de strijd van goed tegen kwaad. Dat begon al met de verhalen uit
de kinderbijbel die mijn moeder na het eten voorlas. David en Goliath, Simson
met zijn lange haren, de vlucht uit Egypte. En later toen we onze eerste televisie
kregen: Zorro, de Man van Zes Miljoen, en natuurlijk Sandokan. Als ik
binnenspeelde was het altijd met poppetjes van ridders, cowboys, indianen en
soldaten. Ik bouwde steden of kastelen die werden belegerd of ging met mijn
favoriete poppetjes op een avontuurlijke reis, meestal een zoektocht naar het
beloofde land.
Als ik buiten speelde met André, dan bouwden wij een hut die vervolgens beschermd moest worden tegen indringers, onzichtbare vijanden en
vooral tegen ‘De Gemeente’, waarmee de man van de plantsoenendienst in zijn
oranje minivrachtwagentje bedoeld werd. Vaak verstopten wij ons in de bosjes
boven op de dijk en bespieden hem terwijl hij de speeltuin fatsoeneerde. Hij
mocht ons natuurlijk niet ontdekken. Maar dat was geen probleem, wij waren immers
indianen. Met onze bogen van pvc-buis, jute touw en zo recht mogelijk
takjes als pijlen. Er waren ook dagen dat wij geen indiaan waren, maar Zorro, de man van
Zes Miljoen, Winnetoe, Old Shatterhand, Tonto, de Lone Ranger, Sandokan. Maar het
meest waren wij nog wel Hannibal Hayes en Kid Curry van Alias Smith and Jones. Wij waren sterk,
slim, snel en onverslaanbaar. Maar vooral waren wij de goeden. Voor niets of niemand bang.
Ik had ook een flink wapenarsenaal in huis waaronder
diverse klappertjespistolen, zelfs eentje in de vorm van een Winchester, een plastic
ridderzwaard en een hele hoop zelfgemaakte houten zwaarden en schilden. Op één
van die schilden had mijn vader ons familiewapen geschilderd. Ik had ook nog
iets dat niet als wapen bedoeld was, maar dat verreweg het meest gevaarlijke
onderdeel van mijn verzameling was. Een tamboermaitrestok met bovenop een zware
houten knop en aan de onderkant een scherpe ijzeren punt. Ideaal als slagwapen
en speer. Maar toen mijn moeder er achter kwam dat ik het ding gebruikte om een
denkbeeldige fanfare te leiden, was ik hem kwijt.
Overigens heb ik behalve stoeien met mijn vriendjes, maar
één of twee keer echt gevochten in mijn leven. En dat stelde ook niet zoveel
voor, hoewel ik altijd nog denk dat mijn eerste gevecht, met een jongen uit
mijn klas, ervoor heeft gezorgd dat ik op de lagere school niet gepest werd en
er gewoon bij hoorde. In al het overige strijdgewoel werden tegenstanders
gefantaseerd. Of als we cowboytje speelden met genoeg jongens, dan werden er
twee teams ingedeeld net zoals we dat deden als we gingen voetballen.
Op de middelbare school werd de strijdbijl langzaam maar
zeker begraven en tegen de tijd dat ik zestien was, was ik een overtuigd
pacifist. Ik was verliefd op linkse meisjes , droeg een PLO sjaal en liep mee
met de grote vredesdemonstratie in Den Haag. In kleding uit de militaire
dumpzaak, dat dan weer wel.
De Koude Oorlog woede in alle hevigheid. In de bioscopen
draaiden films als The Day After, waarin
werd geschetst hoe de dag na een allesvernietigende kernoorlog er uit zou zien.
Op Sky Channel kwam regelmatig de
videoclip van Frankie Goes to Hollywood
voorbij waarin dubbelgangers van Reagan en Tjernenko elkaar te lijf gingen in
een soort hanengevecht.
In een paar jaar tijd was ik veranderd van een
godvruchtige kindsoldaat in een magere in het zwart geklede slungel in wat een
toekomstloze wereld leek. Een jongen met een grote afkeer van geweld. Die na
zijn eerste echte kennismaking met de dood begreep dat dit iets heel anders was
dan de die hij met zijn vriendjes speelde. Als je echt dood was, kon je niet
meer tot honderd tellen en mocht je niet meer levend worden.
Ik zat veelal op mijn kamer muziek te luisteren en
gedichtjes te schrijven. Laarzen droeg ik allang niet meer.
Izaak

Reacties
Een reactie posten